Netwerk
Alternatieven
Dwang en
Afzondering

“Dwang mag nooit routine worden”
Ik kijk naar dwang, afzondering en fixatie vanuit twee posities. Ik ben moeder van een dochter die hiermee beschadigende ervaringen heeft gehad, maar ik ben ook psychiater in opleiding en werk in de psychiatrische zorg. Die twee perspectieven lopen soms door elkaar. Ze maken dat ik extra gevoelig ben voor wat dwang met iemand kan doen, maar ook dat ik begrijp hoe complex situaties op een afdeling kunnen zijn.
Ik weet dat agressie, ontregeling, psychose, suïcidaliteit of ernstige eetstoornissen heel moeilijk kunnen zijn voor teams. Ik weet dat hulpverleners soms onder druk staan. Ik weet dat er situaties bestaan waarin veiligheid acuut in het gedrang komt. Ik ben niet iemand die zegt dat er nooit begrenzing nodig is. Ik heb ook bij mijn eigen dochter meegemaakt dat ze in een acute suïcidale crisis door de ambulance werd gefixeerd om haar veilig te kunnen vervoeren. Het gebeurde om haar leven te beschermen, ik mocht mee, ze mocht haar knuffel houden, en de ambulanciers zeiden zelfs: “Sorry mevrouw dat we dit moeten doen.” Die erkenning maakte een wereld van verschil.
Voor mij gaat het dus niet alleen over de maatregel op zich. Het gaat over de manier waarop. Over de intentie. Over de proportionaliteit. Over de vraag of men eerst alles heeft geprobeerd om in verbinding te blijven. Over de vraag of iemand nog als mens wordt gezien.
Veiligheid begint bij verbinding
In de zorg zie ik hoe belangrijk co-regulatie is. Als hulpverlener moet je voortdurend bij jezelf nagaan: in welk venster zit ik zelf? Zit ik nog in mijn groene zone, of ga ik naar oranje of rood? Want als ik zelf ontregeld raak, voelt de patiënt dat. Dan escaleert de situatie sneller. We hebben geen volledige controle over de persoon die agressief, angstig of psychotisch is. Maar we hebben wel verantwoordelijkheid voor ons eigen handelen, onze toon, onze nabijheid, onze manier van begrenzen.
Daarom vind ik benaderingen zoals geweldloos verzet zo belangrijk. Niet omdat ze alles oplossen, maar omdat ze vertrekken vanuit verbinding. Je blijft aanwezig, ook wanneer gedrag moeilijk is. Je probeert niet macht tegenover macht te zetten. Je probeert te dragen, te vertragen, te begrijpen wat er onder het gedrag zit.
Ik heb ook op afdelingen gestaan waar ik zag dat het anders kan. Op een high intensive care-afdeling zag ik een team dat echt probeerde te dragen. Mensen die psychotisch of manisch waren, werden niet meteen platgespoten of geïsoleerd. Soms zei het team bijna letterlijk: we gaan dit samen dragen, we gaan zien of het zakt zonder onmiddellijk te grijpen naar zware middelen. Natuurlijk werd er medicatie gegeven als het nodig was. Natuurlijk werd er ingegrepen bij ernstig gevaar. Maar er werd nagedacht. Er werd telkens opnieuw geprobeerd om contact te houden.
Dat vind ik goede zorg: niet niks doen, maar ook niet te snel grijpen naar dwang.
Ook aandacht voor het lichaam is nodig
Als arts vind ik ook het somatische aspect belangrijk. Wanneer iemand gefixeerd is, is die persoon niet alleen psychisch in nood. Er is ook een lichaam. Iemand kan pijn hebben. Riemen kunnen knellen. Iemand kan hoofdpijn hebben, dorst, lichamelijke spanning of paniek. Als ik bij iemand kom die gefixeerd is of in ernstige crisis verkeert, probeer ik te vragen: “Heb je ergens pijn?” Dat klinkt eenvoudig, maar het is wezenlijk. Een arts moet niet alleen kijken naar gedrag, maar ook naar lijden.
Wat mij stoort, is dat in de verslaggeving en controle soms enorm veel nadruk ligt op kleine administratieve dingen, terwijl vrijheidsbeperkende maatregelen niet altijd even streng lijken te worden opgevolgd. Voor een komma of een punt in een verslag worden hulpverleners bij wijze van spreken op de vingers getikt. Maar bij afzondering of fixatie, waar iemands waardigheid en veiligheid op het spel staan, zou de controle veel scherper mogen zijn. Zijn de noodzakelijke stappen echt gevolgd? Is er eerst geprobeerd om te de-escaleren? Was er werkelijk acuut gevaar? Hoelang duurde het? Werd er geëvalueerd? Werd er achteraf met de patiënt gesproken?
Erkenning is geen aanval op de zorg
Wat ik ook merk, is dat er een taboe rust op trauma door psychiatrische zorg. Als iemand vertelt dat hij of zij trauma heeft opgelopen door een opname, afzondering of fixatie, reageren hulpverleners soms voorzichtig of ontwijkend. Alsof we bang zijn om collega’s af te vallen. Alsof erkenning betekent dat je meteen een hele instelling of beroepsgroep veroordeelt. Maar erkenning hoeft geen persoonlijke aanval te zijn. Je kunt zeggen: “Wat jij hebt meegemaakt, had niet zo mogen gebeuren.” Of: “Ik hoor dat dit voor jou traumatisch was.” Dat alleen al kan helend zijn.
Ik vind dat we patiënten daarin meer mogen geloven. Als iemand zegt dat hij zijn moeder verloren heeft, erkennen we dat verdriet. Als iemand zegt dat hij seksueel geweld heeft meegemaakt, weten we hoe belangrijk het is om niet meteen in twijfel te trekken. Maar als iemand zegt: “Ik ben getraumatiseerd geraakt in de psychiatrie,” dan worden we als hulpverleners vaak terughoudend. Dan willen we eerst weten of het wel “waar” is. Terwijl het in eerste instantie gaat over de ervaring van die persoon. Over wat het met iemand gedaan heeft.
Als hulpverlener kan ik ook grensoverschrijdend zijn zonder dat ik het zo bedoel. Dat is moeilijk om onder ogen te zien, maar het hoort bij professionele verantwoordelijkheid. Als iemand aangeeft dat iets grensoverschrijdend was, moeten we niet meteen in de verdediging gaan. We kunnen luisteren. We kunnen erkennen. We kunnen ons verontschuldigen. Niet omdat we slechte mensen zijn, maar omdat zorg alleen veilig kan zijn als er ruimte is voor herstel wanneer iets fout loopt.
Dwang kan soms als noodzakelijk worden voorgesteld, maar te vaak wordt vergeten wat het achteraf nalaat. Een afzonderingsruimte, een fixatiebed, een gesloten deur: dat zijn geen neutrale interventies. Voor sommige mensen worden dat herinneringen die zich vastzetten in hun lichaam. Ze herinneren zich niet alleen wat er gebeurde, maar ook dat niemand sorry zei. Dat niemand kwam vragen wat ze nodig hadden. Dat niemand hun waardigheid bewaakte.
Dwang mag nooit routine worden
Ik denk vaak aan de vraag: wat had iemand nodig gehad? Soms is dat veel kleiner dan we denken. Een sigaret. Een open deur. Een knuffel. Iemand die blijft zitten. Iemand die zegt: “Ik zie dat je bang bent.” Iemand die vraagt: “Heb je pijn?” Iemand die achteraf zegt: “Het spijt me dat dit zo is moeten lopen.”
Als arts in opleiding wil ik mij blijven verzetten tegen zorg die mensen reduceert tot gedrag dat onder controle moet worden gebracht. Natuurlijk moeten we veiligheid ernstig nemen. Maar veiligheid zonder menselijkheid wordt gemakkelijk geweld. Goede psychiatrische zorg vraagt meer dan beheersen. Ze vraagt nabijheid, reflectie, intervisie, teamkracht en de moed om ook naar onszelf te kijken.
Voor mij is dat de kern: dwang mag nooit routine worden. Afzondering mag nooit een standaardantwoord zijn. Fixatie mag nooit gebeuren zonder voortdurende aandacht voor pijn, angst, waardigheid en herstel. En als het toch gebeurt, moeten we de moed hebben om achteraf te vragen: wat heeft dit met jou gedaan, en wat hadden wij anders kunnen doen?
___
* Jana is een pseudoniem



