Netwerk
Alternatieven
Dwang en
Afzondering

“Mijn dochter had zorg nodig, maar kwam beschadigd terug”
Mijn dochter Emma was twaalf toen ze werd opgenomen voor een ernstige eetstoornis. Ze had anorexia en was lichamelijk erg verzwakt. We hadden lang uitgekeken naar die opname. Niet omdat een opname iets is waar je naar verlangt, maar omdat we hoopten dat ze daar de juiste zorg zou krijgen. Emma hoopte zelf ook dat ze daar beter zou kunnen worden. Achteraf zegt ze nog altijd dat ze die opname graag had afgemaakt, maar dat het op die manier niet kon. Wat er gebeurd is, heeft het vertrouwen in de zorg gebroken.
De afzonderingsruimte werd bijna haar kamer
Emma had een sterke bewegingsdrang. Door haar eetstoornis voelde ze de dwang om te blijven bewegen, om calorieën te verbranden, om niet bij te komen. Als ze dan niet wilde gaan zitten, werd dat blijkbaar gezien als iets dat moest worden gestopt. Maar in plaats van haar te helpen reguleren, werd ze vastgenomen, aan haar armen meegesleurd en naar de afzonderingsruimte gebracht.
Ik was daar niet bij, maar ze vertelde dat ze werd vastgebonden en dat ze haar pijn deden. Ze vertelde dat ze werd afgezonderd. Niet één keer, maar herhaaldelijk. Op den duur leek de afzonderingsruimte bijna haar kamer te worden. Ze zei later zelf: “Mama, dat was eigenlijk bijna mijn slaapkamer daar.” Dat beeld blijft bij mij hangen.
In het begin twijfelde ik. Als ouder van een kind met anorexia weet je dat de eetstoornis alles kan verdraaien. Ik dacht: misschien zegt ze dit omdat ze weg wil uit de opname, omdat de behandeling moeilijk is. Ik probeerde kritisch te blijven, ook tegenover haar. Maar gaandeweg kon ik niet meer naast de signalen kijken.
Ik kreeg telefoons van de verpleging dat ze in afzondering zat. Eerst dacht ik: misschien was er echt een crisissituatie, misschien was het nodig voor haar veiligheid of die van anderen. Maar dan kwam er weer een telefoontje. En nog één. En nog één. Op een bepaald moment besefte ik dat ik niet eens was verwittigd dat ze uit de afzondering was gehaald. Toen ik zelf belde, bleek dat ze er nog steeds zat of er net uit gehaald zou worden. In mijn moederhart voelde ik toen: dit klopt niet. Dit is geen goede zorg.
Vernederingen, geschreeuw en blauwe plekken
Mijn dochter had het over vernederingen. Ze voelde zich niet alleen opgesloten, maar ook gekleineerd. Ze vertelde dat sommige verpleegkundigen opmerkingen maakten, over dat zij haar best niet deed, terwijl de andere patiënten dat zogezegd wel deden. Ze kreeg het gevoel dat ze gestraft werd. De verpleging zei dat ze haar hele leven in die isoleercel zou zitten. Voor een kind van twaalf, ernstig ziek en doodsbang, is dat verwoestend.
Ik heb ook zelf dingen gehoord. Mijn dochter had geluidsopnames gemaakt. Ik hoorde verpleegkundigen schreeuwen. Niet gewoon kordaat of begrenzend, maar vanuit frustratie. Gemeen bijna. Ik werk zelf in de zorg, ik weet dat mensen onder druk kunnen staan. Ik weet dat situaties moeilijk kunnen zijn. Maar dit was niet oké in een professionele setting.
Op een ander moment liet mijn dochter de telefoon openliggen. Ik hoorde een stem roepen: “Laat haar los.” Daarna werd het stil, of werd de telefoon weggelegd. Ik heb ook blauwe plekken op haar armen gezien en gefotografeerd. Ze was zo mager dat je snel letsels zag, maar toch: die blauwe plekken kwamen van het vastpakken, van het sleuren, van de druk van nagels in haar armen.
Er was ook een situatie rond toiletbezoek. Door haar eetstoornis wilde ze vaak naar het toilet. De verpleging wilde de deur openhouden, vermoedelijk om te controleren of ze niet zou braken. Dat kan ik op zich nog begrijpen. Maar mijn dochter vroeg heel duidelijk: “Je mag luisteren, maar kijk niet wanneer ik mijn broek naar beneden doe.” Die grens werd volgens haar overschreden. Voor haar was dat enorm vernederend en beangstigend.
Wat het extra zwaar maakte, was dat mijn dochter eerder trauma had meegemaakt waarbij opsluiting een rol speelde. Dat had ik ook aan de hulpverleners uitgelegd. In andere settings werd daar rekening mee gehouden. Als ze in paniek was, probeerden mensen de deur open te laten of haar op een andere manier nabijheid te geven. Hier leek eenzame opsluiting bijna standaard te worden ingezet, terwijl net verbinding en veiligheid nodig waren.
“Ik voelde als moeder dat ik moest ingrijpen”
Ik voelde als moeder dat ik moest ingrijpen. Ik heb haar vervroegd uit de opname laten vertrekken. Niet omdat ik ontkende dat ze ernstig ziek was, maar omdat ik voelde dat deze zorg haar verder beschadigde.
Toen Emma weer thuis was, bleef haar gewicht eerst stabiel, maar daarna ging het snel achteruit. Ze werd lichamelijk zeer kwetsbaar. Ik was bang dat ze zou sterven.
Later hebben we contact opgenomen met het Meldpunt Grensoverschrijdend Gedrag. Mijn dochter zei: “Ik wil niet dat dit met andere kinderen gebeurt.” Dat vond ik heel sterk van haar. Ze dacht niet alleen aan zichzelf, maar ook aan de kinderen die nog in opname waren. Bij het Meldpunt voelde ik mij voor het eerst echt gehoord. Die erkenning deed iets met mij. Het gaf me ook een zekere rust, die ik daarna weer aan mijn dochter kon geven. Er kwam ook een gesprek met de instelling, met de ombudsdienst en met mensen van de afdeling. Die gesprekken waren belangrijk. Er werd gesproken over het beleid, over het sluiten van deuren, over de vraag waarom afzondering zo snel werd ingezet.
Een kind heeft nabijheid nodig, geen straf
Wat mij tot vandaag raakt, is dat Emma naar zorg ging om beter te worden, maar er meer beschadigd uitkwam. Als gezin heeft dat diepe sporen nagelaten. Je vertrouwt je kind toe aan professionele hulpverlening. Je denkt: daar zullen ze weten wat ze doen. En dan moet je vaststellen dat je kind zich daar mishandeld, vernederd en onveilig heeft gevoeld.
Ik weet dat hulpverleners het moeilijk kunnen hebben. Ik weet dat mijn dochter geen makkelijke patiënt was. Maar een kind dat ernstig ziek is, dat angstig is, dat vastzit in een eetstoornis, heeft nabijheid nodig. Geen vernedering. Geen straf. Geen afzonderingsruimte die bijna haar kamer wordt.
Wat ik had gehoopt, was niet dat alles perfect zou verlopen. Ik had gehoopt dat men in verbinding bleef. Dat men zou erkennen: dit is heftig, dit is niet normaal, we doen dit alleen als het echt niet anders kan. Een simpele erkenning kan zoveel verschil maken. Een “sorry dat dit moest gebeuren” kan trauma verzachten. Maar als niemand erkent wat er gebeurd is, blijft het kind alleen achter met de ervaring.
Ondertussen zijn we een tweetal jaar verder en heb ik vernomen dat de aanpak op de afdeling waar Emma verbleef verbeterd is. Dat stemt me hoopvol.




